Actua

Geen progressievoorbehoud meer op buitenlandse lijfrenten


Waarover gaat het?

Het Antwerpse Hof van Beroep heeft zich op 22 oktober 2019 uitgesproken over de administratieve praktijk van de Belgische fiscus om progressievoorbehoud toe te passen op buitenlandse lijfrenten.

De casus gaat als volgt:
De Belgische belastingplichtige ontving jaarlijks van een Nederlandse BV een uitkering. Volgens de belastingplichtige betrof de uitkering een lijfrente die in Nederland belast moest worden zodat de uitkering niet opgenomen was in de aangifte personenbelasting.
De Belgische fiscus betwistte niet dat de uitkering een lijfrente betrof noch dat Nederland hierover belasting mocht heffen. Desalniettemin stelde de fiscus dat de lijfrente overeenkomstig de toepasselijke regelgeving (3% van het afgestane kapitaal) in de aangifte personenbelasting verwerkt had moeten worden en deze lijfrente vrijgesteld moest worden met progressievoorbehoud (lees de uitkering wordt niet aan de personenbelasting onderworpen maar er wordt wel rekening mee gehouden om het belastingtarief te bepalen dat van toepassing is op de inkomsten die wel progressief belastbaar zijn in België). Het standpunt van de fiscus resulteert m.a.w. in een hogere personenbelasting.

Op basis van het dubbelbelastingverdrag afgesloten tussen België en Nederland mag België slechts het belastingtarief toepassen dat van toepassing had geweest indien de vrijgestelde inkomsten (of vermogensbestanddelen) niet vrijgesteld waren geweest (lees een zuiver Belgische context).
Aangezien een lijfrente in een zuiver Belgische context belast zou worden tegen een afzonderlijk i.p.v. een progressief tarief, zou ze geen invloed hebben op de vaststelling van het progressieve tarief van toepassing op de overige inkomsten (of vermogensbestanddelen).

Het Hof van Beroep bevestigde dat de toepassing van progressievoorbehoud op vrijgestelde inkomsten (of vermogensbestanddelen) die afzonderlijk belast zouden worden in een zuiver Belgische context in strijd is met het dubbelbelastingverdrag en er bijgevolg een integrale vrijstelling verstrekt moet worden.

Dit arrest is positief voor elke Belgische belastingplichtige die een buitenlandse lijfrente ontvangt die o.b.v. het dubbelbelastingverdrag in België vrijgesteld zou moeten worden.
Onderstaand cijfervoorbeeld verduidelijkt de financiële impact:

Een alleenstaande in Antwerpen gedomicilieerde Belgische rijksinwoner zonder personen ten laste had voor inkomstenjaar 2018 volgende fiscale gegevens:

  • Een Nederlandse lijfrente ad. 26.000 EUR waarbij het afgestane kapitaal 600.000 EUR bedroeg;
  • Een AOW pensioen ad. 5.000 EUR;
  • Een pensioen uit een pensioenfonds ad. 20.000 EUR

Indien de lijfrente vrijgesteld zou worden met progressievoorbehoud zou rekening gehouden moeten worden met ± 8.630 EUR aan Belgische personenbelasting. Bij een integrale vrijstelling van de lijfrente, overeenkomstig het arrest, zou de Belgische personenbelasting slechts ± 4.740 EUR bedragen.


Kan/moet u stappen ondernemen?

Voor de toekomst kan de integrale vrijstelling geclaimd worden via de aangifte personenbelasting en is een goed nazicht van de aanslag, om te garanderen dat er wel degelijk een integrale vrijstelling werd toegestaan, extra belangrijk.


Voor aanslagen uit het verleden waarvan de bezwaartermijn (zes maanden na verzendingsdatum) nog niet verstreken is, kan een bezwaarprocedure opgestart worden met het oog op een ontheffing.
Is de bezwaartermijn reeds verstreken, dan zou voor maximum vijf jaar terug, getracht kunnen worden alsnog een ontheffing te bekomen d.m.v. een procedure van ambtshalve ontheffing.

 

Aarzel niet ons te contacteren indien wij u van dienst kunnen zijn m.b.t. de aangifte personenbelasting en/of de administratieve procedures.